De cognitieve gedragstherapeut door de ogen van de psychoanalyticus – DEEL I

cognitievegedragstherapiegrapDe cognitieve gedragstherapeut wordt door de psychoanalyticus nogal eens afgeschilderd als een soort ordinaire hondentrainer die aan de hand van protocollaire interventies de patiënt kunstjes leert opvoeren. Gedragstherapeuten luisteren namelijk niet naar hun patiënten en nemen ook het verhaal van hun patiënten niet ter harte. Ze luisteren niet, want alles wordt direct doodgeknuppeld met lijstjes en gedragsexperimenten die volgens een verwerpelijke manier zijn samengesteld (door de ogen van de psychoanalyticus wil dat zeggen op basis van evidence based onderzoek, ofte de logica van het koude en kille wetenschappelijke onderzoek ). De CGT heeft het met andere woorden helemaal mis want de mens laat zich niet zo gemakkelijk becijferen. Het cijfer kan toch nooit de letter inhalen? Tenslotte laten CGT’en zich maar al te gemakkelijk voor de neoliberale kar spannen. Ze kiezen voor kortdurende interventies waarbij vooral gedacht wordt aan het kostenplaatje van de ziekteverzekeraar. Angsten worden daarom aangepakt in vijf sessies, terwijl een depressie eerder om zeven sessies vraagt.

Hoog tijd dus om even te reageren op deze regen van veralgemeningen en onwaarheden. Niet omdat ik persé de eigen therapeutische stroming dien te verdedigen op een overdreven emotionele en bijna heldhaftige manier maar wel om enkele zaken in perspectief te plaatsen en een juister beeld te schetsen van dit permanente onbegrip. Een onbegrip, dat zonder enige twijfel (en vaak onterecht ) ook bestaat in de andere richting.

De mens gevangen in hét protocol

Laat ons direct met de deur in huis vallen: de cognitieve gedragstherapie maakt inderdaad regelmatig gebruik van gestandaardiseerde protocollen om psychische problemen of klachten aan te pakken. Dat wil zeggen dat er min of meer voor elk gediagnosticeerd probleem een aanpak is geformuleerd die – op basis van recent onderzoek – het meest effectief gebleken is. Zo’n aanpak bestaat meestal uit een set vragenlijsten, gevolgd door een grondig inzicht in de klachten (psychoeducatie), een reeks oefeningen om zowel de gedachten als de gedragingen aan te pakken en verdere follow-up.

Aan protocollen zijn zowel voor- en nadelen verbonden. Het voordeel van het gebruik van een gestandaardiseerde aanpak is dat je steeds handelt volgens recent wetenschappelijk onderzoek en dat je deze aanpak – aan de hand van uitgebreid testonderzoek – vervolgens kan gaan evalueren op zijn effectiviteit. Het is hier dat trouwens het schoentje knelt bij de meeste psychoanalytische therapieën. De gebruikte methoden en technieken zijn namelijk vaag en onduidelijk geformuleerd (duiding, interpretatie, therapeutisch stilzwijgen, …). Het is niet helder waar en wanneer deze interventies plaatsvinden en hoe ze precies verlopen. Bijgevolg is het dus veel moeilijker de effectiviteit van de verschillende bouwstenen te gaan testen. Tenslotte is ook het onderliggende theoretische kader dubieus. Er bestaat vandaag de dag – bij mijn weten – nog maar bitter weinig bewijs* dat er iets zou zijn als het onbewuste zoals dit door Freud of Lacan is geponeerd (dat wil zeggen het onbewuste als zijnde gestructureerd als een taal).

Samenvattend kunnen we stellen dat het gebruik van een protocol ervoor zorgt dat je beter kan vaststellen welke therapeutische interventies het meeste effect hebben zodat je ze kan bijschaven, bijsturen of weglaten. Het (terechte) nadeel van een protocol is inderdaad dat je snel in een keurslijf komt te zitten. Elke patiënt is namelijk anders en de ene persoon heeft al meer tijd en ruimte nodig dan de andere. Het is in dat geval natuurlijk geen goed idee om toch – tegen wil en dank – een vast stramien te gaan opdringen. Geen enkele CGT zal dit trouwens doen. Dit komt omdat cognitieve gedragstherapeuten ook over een portie menselijkheid, tact en inlevingsvermogen beschikken. Deze eigenschappen zijn dus allerminst een alleenrecht van de psychoanalyse (net zoals ridderlijke maatschappijkritiek dat niet is). CGT hebben namelijk net als psychoanalytici eveneens gekozen voor een studie psychologie. Bij beide partijen is er dus een inherent verlangen aanwezig is om met anderen (therapeutisch) te werken (le désir!). Het is dus een ontzettend grote misvatting te denken dat de psychoanalyticus als enige barmhartige Samaritaan naar zijn patiënten luistert en dat de andere partij dit nooit zou doen.

Een goede cognitieve gedragstherapeut kan dus niet gereduceerd worden tot een protocollaire robot, net als een goede psychoanalyticus niet kan gereduceerd worden tot een complete Lacan-, of Freud- adept.

Wordt vervolgd …

(*) Over dit topic kunnen we een volledige blog vullen. Mijn excuses dus dat het bij dit stukje tekst bij het topje van de ijsberg is gebleven.  Omwille van de leesbaarheid van de tekst ben ik niet verder op dit topic ingegaan.